INZICHTEN

Tot aan het congres verzorgen we samen met bij Raising the Future betrokken partijen een tweemaandelijkse digitale nieuwsbrief waarin we onder het motto time to think ingaan op de thema’s van het congres en de actualiteit.

Ongelijkheid voor, tijdens en na de corona crisis door Petra Janssen en Ruth de waal

Reacties van Kees Vuyk, filosoof en psycholoog en Monique Volman, hoogleraar Onderwijskunde en lid van de Onderwijsraad op het interview met Daan Roovers.

ongelijkheid voor, tijdens en na corona

Het merendeel van de professionele opvoeders gaat ervanuit dat kinderen het recht hebben op gelijke ontwikkelkansen en veronderstelt hieraan daadwerkelijk een bijdrage te kunnen leveren. Zij zijn zich ervan bewust dat je kinderen maar één keer kunt grootbrengen. Dit motiveert hen om het zo goed mogelijk te doen, want elk kind telt en heeft talenten die ertoe doen - voor het kind zelf en voor de samenleving. Nu en later. Deze optimistische visie komt terug in veel mission statements van Nederlandse kinderopvang-, onderwijs- en jeugdzorgorganisaties. Helaas is de praktijk anders en voelen mensen die werken met kinderen uit sociaalzwakkere groepen frustratie omdat het niet lukt het mooie ideaal te verwezenlijken.

Door Petra Janssen en Ruth de Waal

 

Tijdens de coronacrisis kwam weer duidelijk aan het licht hoe groot de verschillen zijn in de thuissituaties van kinderen en hoe moeilijk het is om in het onderwijsaanbod rekening te houden met die verschillen. Om een paar van die verschillen, te noemen:

-  Ouders en opvoeders met voldoende financiële middelen kopen extra laptops en richten kamers in zodat kinderen en jongeren een eigen ruimte hebben om te leren.

- Ouders en opvoeders met voldoende kennis en opleiding kunnen hun kinderen begeleiden en ondersteunen bij het (thuis)onderwijs.

-  Ouders en opvoeders met voldoende inzicht in de digitale wereld kunnen hun kinderen helpen bij Teams, Zoom of andere online programma’s.

-  Ouders en opvoeders met voldoende structuur en ritme in een dagplanning kunnen orde en ook rust realiseren.

-  Ouders en opvoeders met een positief zelfbeeld, emotionele weerbaarheid en een stevig sociaal netwerk kunnen hun kinderen ondersteunen, ook als het tegenzit.

 

Met welvaart stijgt ook ongelijkheid

De inzet van de medewerkers in kinderopvang, onderwijs en jeugdhulp is eerlijk over alle kinderen verdeeld, de uitkomsten van hun inspanningen zijn dat voor de kinderen helaas niet. Eddie Denessen zegt hierover in een lezing voor het Nivoz in juni: ‘Gelijke kansen zijn er alleen voor kinderen in gelijke thuissituaties.’ Gelijkheid in thuissituaties komt echter steeds minder voor. De ongelijkheid neemt volgens het SCP-rapport ‘De sociale staat van Nederland 2019’ toe, ondanks de groeiende welvaart. Uit het rapport ‘Armoede in Kaart’ (SCP, 2019) blijkt dat 8,1% van alle kinderen tot achttien jaar in Nederland in armoede leeft.

Segregatie en kansenongelijkheid

Robert Putnam (politicoloog en hoogleraar Harvard University) laat in zijn boek ‘Our Kids’ (2015) zien dat kinderen alleen gelijke kansen hebben als sprake zou zijn van hetzelfde sociale kapitaal: het sociale netwerk waar een gezin toe behoort en de mogelijke steun en kruiwagens waarvan het kind dan gebruik kan maken op het gebied van opleiding, stage en werk of hulp als het even tegenzit. Sociale netwerken waren tot de jaren tachtig redelijk divers, door de verzuiling en de minder grote verschillen in loon, arbeidsvoorwaarden en vermogen. Deze verschillen zijn sindsdien echter enorm toegenomen. Loon- en inkomenspolitiek, flexibilisering van de arbeidsmarkt, opleidingskosten en stijgende huizenprijzen hebben geleid tot segregatie en kansenongelijkheid. Deze segregatie is zelfs fysiek: stedenbouw en hoge huizenprijzen hebben tot gevolg dat verschillende sociaal-economische groepen in ‘eigen’ wijken leven, waarbinnen hun kinderen vervolgens naar de wijkgebonden kinderopvang en school gaan, vriendschappen sluiten en sociale netwerken met elkaar opbouwen. De onderlinge betrokkenheid tussen verschillende sociaal-economische groepen is klein. Kinderen uit zwakkere milieus komen hierdoor vanzelf in bubbels van sociaal-economisch zwakkeren terecht. Hun sociale kapitaal is daarmee grotendeels teniet gedaan. Daarbij komt dat mensen in achterstandssituaties de neiging hebben af te keren van de samenleving en geen vertrouwen meer hebben in de democratische instituties als middel om hun belangen te behartigen. Putnam noemt dit de ‘dubbele achterstand’.

Waartoe voeden wij op?

Als je antwoord wil geven op de vraag waartoe wij opvoeden kun je niet om bovenstaande ontwikkelingen heen. Het lijkt een bekend verhaal, maar het feit dat segregatie en kansenongelijkheid toenemen in een tijd waarin welvaart en rijkdom in ons land enorm zijn gestegen, heeft tot voor kort tot weinig echte verontwaardiging en al helemaal niet tot structurele veranderingen geleid. Sterker nog, de flexibilisering van de arbeidsmarkt is juist toegenomen, de huizenprijzen zijn skyhigh, de laaggeletterdheid is toegenomen en de digitalisering van de dienstverlening maakt het leven voor veel mensen nog complexer.

 

Corona en kwetsbare groepen

De onderzoekers van het SCP-rapport ‘Zicht op de samenleving in coronatijd’ (Mei 2020) laten zien dat de coronamaatregelen met name kwetsbare groepen treffen. Zij raken als eerste hun slecht betaalde en meestal tijdelijke baan kwijt en kunnen niet terugvallen op financiële reserves of een stevig sociaal netwerk. Vijftien burgemeesters van grote steden stellen in de Volkskrant van 16 juni dat door de coronacrisis inwoners van achterstandswijken schulden aangaan bij woekeraars, vervallen in drugshandel en dat kinderen uit beeld verdwijnen bij hun scholen. Ze presenteren dinsdag 22 juni in Den Haag een manifest en vragen om 1,25 miljard euro voor een actieplan dat nog deze zomer van start moet gaan.

En nu?

In deze omstandigheden groeien kinderen op, in toenemende mate in hun eigen bubbel, waarbij de sociaal-economische positie en leefomgeving van hun gezin bepalend is geworden voor hun kansen op talentontwikkeling en maatschappelijk succes. De vraag waartoe wij opvoeden gaat niet om opvoed -, onderwijs- of hulpverleningsmethodieken. Het gaat om vragen die een rechtvaardige verdeling van kansen binnen onze samenleving betreffen en daarmee over de structurele belemmeringen waar gezinnen tegenaan lopen. Ook gaat het om de verhalen die deze ongelijke situatie rechtvaardigen (‘het is je eigen schuld als je de kansen die je krijgt niet verzilverd’) en waar mensen zich uiteindelijk bij neerleggen. Filosoof Martha Nussbaum (hoogleraar recht en ethiek aan de  Universiteit van Chicago, USA) vat dit mooi samen:

‘Elk mens wordt geboren als een kwetsbaar wezen vol mogelijkheden en talenten die ieder zelf tot ontwikkeling moet kunnen brengen om zo de mens te worden die hij of zij in aanleg is. Anderen zijn daarbij onmisbaar, want zonder hun zorg, hulp, ondersteuning, vriendschap en liefde kan geen mens tot leven komen. Door de manier waarop anderen meeleven, beïnvloeden zij het al dan niet lukken van de ontwikkeling. Ieder mens blijft echter zelfverantwoordelijk voor dit proces. 

Een goede samenleving is een samenleving die elk van haar leden in de gelegenheid stelt om zijn capaciteiten te ontplooien en die daarvoor ook de materiële, juridische, politieke en culturele voorwaarden schept, minstens tot een drempelniveau.’

Laten we daar over nadenken. Zoals Daan Rovers zegt: ‘Nadenken kost tijd, niet nadenken kost veel meer.’

IN GESPREk MET DAAN ROVERS

Kees Vuyk, filosoof en psycholoog en schrijver van het boek De feilbare mens: Waarom ongelijkheid zo slecht nog niet is (2019), reageert vanuit zijn invalshoek op het interview met Daan Roovers van dagvoorzitter Ruben Maes .

Mensen zijn niet gelijk. Van geboorte af al niet. Dat maakt het samenleven spannend maar ook een opgave. Samenlevingen gaan verschillend om met de verschillen. Vaak versterken ze de positie van dominante groepen. In ons soort samenleving spannen we ons in om mensen juist meer aan elkaar gelijk te maken. Een van die inspanningen is de gelijke kansen politiek. Zij komt erop neer dat iedereen gelijke kansen heeft op een schoolcarrière, ongeacht afkomst (familierelaties, geld e.d.). Eén obstakel laat zich echter moeilijk verwijderen. Niet iedereen kan even goed presteren op school. Intelligentie speelt daarbij een rol. Maar ook andere aangeboren eigenschappen als discipline, concentratievermogen. In de praktijk is het onderwijs in westerse landen niet, zoals gewenst, een emancipatiemachine, maar een sorteermachine. Ze sorteert kinderen op leercapaciteiten. Die met de meeste capaciteiten krijgen het meeste en vaak ook het beste onderwijs. De anderen vallen onderweg af en moeten met minder genoegen nemen. Ik pleit voor een andere onderwijsfilosofie. Niet ieder kind kans op zo hoog mogelijk onderwijs, maar ieder kind het onderwijs dat haar/hem het meeste kans geeft op een vervuld leven. Daarbij hoort ook dat schooldiploma’s minder belangrijk worden voor sociale status en inkomen. Opleiding telt nu te zwaar mee voor het levensgeluk.

Monique Volman, hoogleraar Onderwijskunde en lid van de Onderwijsraad over het interview met Daan Roovers.

Als gevolg van de coronacrisis waren scholen wekenlang gesloten, met als gevolg dat de ongelijkheid tussen leerlingen is toegenomen. Ook vóór corona hadden sommige kinderen de school al harder nodig anderen. Daan  Roovers stelt dan ook terecht dat ongelijke behandeling nodig is om gelijke kansen te realiseren. Heel concreet betekent dat in deze weken en ook straks na de zomervakantie, dat scholen en leraren extra aandacht zullen moeten besteden aan die leerlingen die tijdens de lockdown het minst in de gelegenheid waren om verder te komen met hun schoolwerk. Tegelijkertijd moeten we ervoor waken dat deze kinderen alleen in termen van ‘achterstand’ bekeken worden; en die neiging is heel sterk. Ook dat gaat namelijk gaat ten koste van gelijke kansen – gelijke kansen op zelfwaardering, op respect voor je achtergrond en cultuur, op aandacht voor wat je wél weet, kan en wellicht thuis tijdens de coronacrisis geleerd hebt. Misschien is bijvoorbeeld de Nederlandse woordenschat van een kind niet gegroeid, maar wel die in zijn of haar moedertaal. In dat licht moet ook de versterkte band tussen ouders en school, waar Daan Roovers voor pleit, een wederkerige band zijn; bedoeld om ouders te informeren hoe ze hun kind bij schoolwerk kunnen ondersteunen, maar ook om als school beter te kunnen voortbouwen op de ervaringen die kinderen buiten school op doen.